Oeble Bouma

Oeble Bouma stond in de jaren tachtig aan de wieg van Amnesty’s politieberoepsgroep. Hij is niet vies van een goede ethische discussie. Want ook bij de politie gaat het wel eens mis. ‘Je moet in dit vak altijd blijven nadenken bij wat je doet.’

Hij heeft net weer een brief geschreven. Naar Venezuela dit keer, gericht aan de minister van Binnenlandse Zaken en Justitie. Het betreft een zogenaamde bliksemactie: er is iemand in direct levensgevaar als gevolg van politiegeweld. Hij heeft de brief in een envelop met het politielogo gestopt. 'Dan wordt hij in ieder geval geopend', zegt Oeble Bouma (55) in zijn kantoor op het hoofdbureau van de politie in Leeuwarden. De brieven die hij al jarenlang voor Amnesty schrijft betreffen bijna altijd gevallen waarbij mensenrechten geschonden zijn door politieagenten. Bouma schrijft de brieven – gemiddeld zo'n twintig per jaar – op persoonlijke titel, maar gebruikt daarbij wel zijn rang van inspecteur. 'Op deze manier kan ik iemand in een ander land aanspreken met 'beste collega'. En dat werkt, zo heb ik in de loop der jaren gemerkt.' Hij laat een dikke map zien met brieven die hij terug heeft gekregen. 'Het is niet gebruikelijk dat je een antwoord krijgt, maar je merkt dat er op deze manier beter naar je geluisterd wordt. De reacties variëren van “we gaan het onderzoeken” tot een toezegging om iemand te beschermen.’


Bouma stond begin jaren tachtig aan de wieg van – de inmiddels opgeheven – Amnesty’s politieberoepsgroep: individuele Amnesty-leden, alle werkzaam bij de politie, die zich verenigden in een schrijfnetwerk met als doel collega’s in andere landen aan te spreken op mensenrechtenschendingen en politiegeweld. Ook probeerde de groep binnen de Nederlandse politie bewustwording te creëren omtrent het onderwerp. Als het gaat om mensenrechtenissues is de politie altijd wel op een of andere manier betrokken; is het niet actief als schendende partij, dan vaak passief door nalatend te zijn in haar beschermende rol. Bouma legt uit: ‘Als je bij de politie bent, zou je veilig moeten zijn, of je nu boef of slachtoffer bent. In lang niet alle landen is dat het geval.’ Volgens hem gaat het ook wel eens heel erg mis bij de politie. ‘De wetgeving is dan wel goed, maar de toepassing van de wet laat vaak te wensen over.' Hij denkt even na en zegt dan: ‘Je kunt van bovenaf wel iets willen, maar het moet van onderaan gaan werken.’ Wat veel indruk op hem heeft gemaakt, is een bezoek dat Amnesty Friesland in de jaren negentig kreeg van een aantal Zuid-Amerikaanse mensenrechtenactivisten. De gasten brachten onder meer een bezoek aan de politie – Bouma was erbij. 'Ze konden hun ogen nauwelijks geloven. Dat er ook “goede” politieagenten bestonden, dat was voor hen compleet nieuw.' Ze mochten even in een cel staan, maar ze wisten niet hoe snel ze er weer uit moesten komen. Het gaf hen duidelijk een heel onbehaaglijk gevoel. “'Als je in Colombia in een politiecel zit, weet je nooit of en wanneer je er weer er uit komt”, zei toen een van hen. Dat moment zal ik nooit vergeten.'

Hij is al lid sinds de beginjaren van Amnesty. Tijdens zijn werk las hij in Amnesty-rapporten regelmatig over martelingen door collega's in andere landen. Het was in de tijd dat de Vuile Oorlog in Argentinië zijn hoogtepunt beleefde. Het liet hem niet los en hij wilde er iets mee doen. ‘Bij de politie hebben we allemaal een bepaald gevoel van rechtvaardigheid’, zegt Bouma. 'Maar ook mijn geloof speelde mee, dat je iets moet doen voor mensen die het minder hebben dan jijzelf. Amnesty leek me een goede groep om me bij aan te sluiten. Ik heb bij deze club de vrijheid om me daar in te zetten waar ik denk dat het nodig is.’

Een van zijn eerste brieven was aan de toenmalige Sovjet-leider Brezjnev. De exacte case herinnert hij zich niet meer, maar wel het gevoel dat hij aan het schrijven van die brief over hield. ‘Ik dacht: “Oké,  ik kan nu in de toekomst niet meer op vakantie naar Rusland, maar ik heb tenminste wél wat gedaan!”’ Andere mensenrechtenclubs staan wat verder van hem af zegt hij. Daarom is hij lid geworden van Amnesty. 'Samen actievoeren, samen de straat opgaan, dat spreekt mij aan in deze organisatie. Prachtig, die mensen die echt gáán voor anderen – van zo’n organisatie wil ik graag deel uitmaken.’

Ten tijde van het apartheidsregime schreef hij een keer een brief naar een collega in Zuid-Afrika omdat hij het veroordeelde dat de agent in kwestie geweld had gebruikt tegen zwarte betogers. ‘Die collega schreef toen terug of ik wel wist hoe het voelde als er zoveel zwarten met een wapen tegenover je staan. “Nou”, zei ik toen, “als je de betogers zou verwisselen voor krakers, ja, dan begrijp ik zeker hoe je je voelt”. Daar werd hij stil van. Ik was een van de weinigen die de discussie met hem aanging. Dat was hij duidelijk niet gewend.’


Ook hier in Nederland wijst hij collega’s regelmatig op zaken die niet door de beugel kunnen volgens hem. ‘Zaken bespreekbaar maken, dat is heel belangrijk. Je moet in dit vak altijd blijven nadenken bij wat je doet.’ Hij wordt wel eens raar aangekeken door collega's. ‘Op een of andere manier denken mensen dat dat niet samengaat, politie en Amnesty. “Daar heb je die van Amnesty weer”, gniffelen ze dan.’ Maar volgens Bouma zijn het niet alleen landen ver weg waar de politie zijn boekje te buiten gaat. Ook dichterbij, in Europa, gaat het regelmatig mis. 'In Nederland kun je als agent gewoon lid zijn van Amnesty, maar nog heel recent, in de jaren negentig, kon dat in Noord-Ierland bijvoorbeeld helemaal niet. Wij realiseren ons nauwelijks in wat voor luxe wij hier leven.’

 

Oeble Bouma (3 februari 1956), Wirdum, groepschef buurtagenten politie Leeuwarden,Amnesty-lid sinds 1979.

DISCLAIMER
Bovenstaande getuigenis bevat persoonlijke verhalen, meningen en belevingen van de geïnterviewde. Het betreft hier dus niet een door Amnesty onderzochte case.