Lidy Horowitz

Ze is Amnesty-lid van het eerste uur. Lidy Horowitz, 77 jaar, was in de jaren zestig nauw betrokken bij de oprichting van de Nederlandse afdeling van de mensenrechtenorganisatie. Een officieel kantoor was er toen nog niet en er was nog maar een handjevol mensen bij de organisatie betrokken. ‘Ik ben blij dat ik mijn steentje heb kunnen bijdragen.’

© Jorn van Eck / Amnesty InternationalLidy Horowitz stamt uit de tijd dat Amnesty nog opereerde vanuit een piepklein kamertje. Háár kamertje welteverstaan, dat ze in de jaren zestig bewoonde aan de Rubensstraat in Amsterdam-Zuid. ‘Ik wás het Amnesty-kantoor’, zegt Lidy Horowitz.
Amnesty International was net daarvoor in Londen opgericht door de Engelse advocaat Peter Benenson en dat nieuws had ook Nederland bereikt. De jonge Horowitz reageerde op een oproepje om naar hotel Krasnapolsky in Amsterdam te komen, waar een aantal geestverwanten zich hadden verzameld om over Benensons ideeën van gedachten te wisselen. Deze kleine maar enthousiaste kern van Amnesty-pioniers, onder wie dus ook Horowitz, stond aan de basis van de huidige, 300.000 leden tellende Nederlandse afdeling van Amnesty.
Uiteindelijk duurde het nog tot 1968 tot de Nederlandse sectie officieel een van de grond kwam. De pioniers leden onder een gebrek aan publiciteit en, vooral, geld, waardoor de aanwas van nieuwe leden uitbleef. De harde kern hield zich met name bezig met het schrijven van brieven aan gewetensgevangenen elders in de wereld en omdat er nog geen officieel kantoor was fungeerde Horowitz' kamer aan de Rubensstraat gedurende deze beginjaren als zenuwcentrum. Horowitz verzorgde de post, nam de telefoon aan en probeerde in die tijd ook de eerste acties van de grond te krijgen. De eerste officiële Amnesty-publieksactie, in 1970 in Den Haag, werd door Horowitz op touw gezet.

Toch had ze het gevoel niet altijd even serieus te worden genomen. Haar jonge uiterlijk, en het feit dat ze vrouw en alleenstaand was, werkten ook niet mee. ‘Ik kon niet eens een normale woning vinden in Amsterdam. Omdat ik geen gezin had, werd ik behandeld als iemand zonder rechten.’ Ze besloot zich er niet door te laten weerhouden en ‘het maar te doen met wat ze had’. Daar heeft ze geen spijt van gehad, toen zij haar activiteiten na een paar jaar op een lager pitje zette, groeide de organisatie door. ‘Ik ben blij dat ik mijn steentje heb kunnen bijdragen.’

Ze leerde ‘politiek denken’ van Sietse Bosgra, toenmalig voorman van het Angola Comité (later omgedoopt tot het Komitee Zuidelijk Afrika). De kneepjes van het vak leerde ze van kunstenaar en vormgever Alexander Verberne, die ze ‘haar coach’ noemt. Hij vond dat Amnesty het tijdens deze vroege jaren veel te amateuristisch aanpakte en pleitte voor meer professionaliteit in de presentatie van de nog jonge en kleine organisatie. In de jaren daarna ontwierp Verberne meerdere affiches voor Amnesty. Horowitz werd later zelf een warm pleitbezorger van professionele media-aandacht voor de organisatie. 'Onmisbaar vond ik dat', zegt ze. 'Vooral de VPRO heeft veel voor ons gedaan in deze tijd. Zij hebben mij veel goede adviezen gegeven.'

Ze zette zich niet alleen in voor Amnesty, Horowitz was in die tijd lid van veel organisaties. De Anti-Apartheidsbeweging Nederland, het Palestina Komitee, ze konden allemaal op haar steun rekenen. ‘Mensen vroegen wel eens aan me “voor wie ben je nou eigenlijk?” “Ik ben voor iedereen”, zei ik dan, “ik ben voor de mensen”. Ik kom uit de verpleging, dus ik weet wat een mensenleven waard is.’ Ze heeft last van een pijnlijke wervel en komt al een paar jaar de deur niet meer uit, maar ze oogt nog steeds jong in haar spijkerbroek en blauwe coltrui. Over Amnesty praten doet ze graag. En ze praat nog steeds in de wij-vorm als ze het over de organisatie heeft. 'Amnesty is een organisatie waar je “u”tegen zegt', vindt ze. Het doet haar deugd dat de club zo gegroeid is de laatste jaren. Want de noodzaak is er nog steeds vindt ze. Vooral de discriminatie in eigen land baart haar zorgen. Ze vindt het sowieso allemaal wel erg veel ‘ik ik ik’ tegenwoordig.  Dat was in haar tijd wel anders. Ze heeft als joods meisje de oorlog meegemaakt. Ze moest onderduiken en die gebeurtenis is van grote invloed geweest op de rest van haar leven. Het kwam in de vroege Amnesty-jaren meerdere malen voor dat ze iemand in haar kamer opnam, of dat ze iemand onderbracht bij kennissen. Zo zocht ze ooit onderdak voor een Israëlische deserteur. ‘Een schande voor een joods meisje. Maar voor mij was dat vanzelfsprekend. Als ik de weg weet, wijs ik die ook aan een ander.’


Ze móest dit doen, zegt ze, zelf was ze immers ook goed behandeld in het christelijke gezin dat haar had opgenomen tijdens de oorlog. ‘Soms komen mensen op je pad’, zegt ze, ‘voor mij is het een vanzelfsprekendheid om ze dan te helpen, dat zit in mijn aard. Bovendien weet ik té goed hoe het voelt om te moeten vluchten en wat snakken naar vrijheid is.’ Nog dagelijks spelt ze de krant. Het zijn juist die verhalen waarbij mensen op de vlucht moeten slaan die haar aangrijpen en waarom ze Amnesty nog steeds onmisbaar vindt. De organisatie is een soort vanzelfsprekendheid voor haar. ‘Amnesty is een onderdeel van de maatschappij, een organisatie die iedereen aangaat’,  zegt ze. ‘Ook mensen die het wel goed hebben. Zoals ik. Ik kan hier echt thuis zitten en denken “wat heb ik het toch goed”.’

 

Lidy Horowitz (8 maart 1934), Amsterdam, voormalig verpleegster, Amnesty-lid sinds medio jaren zestig.

DISCLAIMER
Bovenstaande getuigenis bevat persoonlijke verhalen, meningen en belevingen van de geïnterviewde. Het betreft hier dus niet een door Amnesty onderzochte case.