Ashton Jones & Datubo West

Sinds 1961 voerde Amnesty International actie voor honderdduizenden mensen. Hieronder zetten we er twee naast elkaar: een uit de beginjaren en een uit de recente Amnesty-geschiedenis.

Ashton Jones (1896–1979) was een Amerikaanse predikant, zeer bewonderd door Martin Luther King. 'Iedereen is gelijk', zei Jones, 'maar in de praktijk van ons land zijn sommige mensen meer gelijk dan anderen'. Jones werkte lange tijd in allerlei baantjes, onder meer visser, tot hij genoeg had gespaard om te studeren. Hij droeg levenslang een lijstje leefregels mee: praat met iedereen, grijp elke gelegenheid aan om groepen toe te spreken, houd een dagboek bij. Jones was blank, maar zijn werk was voor de zwarten. 'De negervriend', was een van zijn vriendelijker bijnamen. Al in 1935 werd hij overvallen door blanke racisten die hem met een geweer bedreigden, een kap over zijn hoofd deden en dreigden hem dood te slaan. Tussen 1954 en 1966 werd hij veertig keer gearresteerd, vooral vanwege burgerlijke ongehoorzaamheid. Hij hield niet op te preken en te demonstreren, hij protesteerde openlijk in kerkgebouwen. In Georgia zat hij acht maanden gevangen. In een politiebureau in Texas werd hij geslagen, van de trap gegooid, agenten schopten zijn ribben kapot. Hij werd dagenlang opgesloten in een hok zonder ramen waar hij kon staan noch liggen. In 1961 wijdde het eerste Amnesty-rapport een hoofdstuk aan hem. In 1962 organiseerde hij een sit-in een park omdat een grondeigenaar had geweigerd een zwarte arts een stuk land te verkopen. Mét de gelijkberechtiging van zwarten groeide de nationale erkenning voor zijn werk. Zijn ontmoeting met King in 1965 was een historisch moment in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.

 

Tonye Briggs is een van de leden van de organisatie van Ontheemde Slachtoffers van Njemanza. Dat is een sloppenwijk in de stad Port Harcourt, in de Nigerdelta van Nigeria waar ook Ken Saro-Wiwa zijn strijd voor mensenrcchten voerde. Briggs is predikant, maar omdat dat nauwelijks een salaris oplevert werkt hij ook als visser. Tot voor kort woonde hij in een gehuurde eenkamerwoning met vrouw en twee kinderen. Maar de overheid is bezig de hele wijk plat te gooien. Al 17.000 mensen zijn op straat komen te staan, er moeten een winkelcentrum, een mega-bioscoop en een hotel komen. De ontruimingen worden pas op het laatste moment aangekondigd. Toen de bulldozers om half zeven 's ochtends kwamen, sliep de familie Briggs nog. De overheid zette leden van jeugdbendes in die voor de gelegenheid een uniform hadden gekregen. Die intimideerden de bewoners, maar sloegen ook meteen aan het plunderen. Briggs raakte veel kwijt, waaronder zijn boot, vistuig, laarzen en telefoon. Hij kreeg onderdak bij een vriend, zijn vrouw en kinderen moesten elders bij familie hun toevlucht zoeken. Geld heeft het gezin niet meer. Protesteren lijkt zinloos, de politie heeft eerder demonstranten uit de wijk opgepakt. De organisatie die door Briggs en anderen is opgezet is aangewezen op buitenlandse steun. Amnesty voert actie om bewoners van arme wijken te beschermen tegen huisuitzetting. In sommige landen hebben gedupeerden met succes een rechtszaak kunnen aanspannen om ontruiming te voorkomen of schadeloosstelling af te dwingen.